© René Franquinet (2012-2016)    Ontworpen in Serif WebPlus     info@questionit.nl


Question it
Question it

Informatica, wie weet wat het is?  (2)


(mrt 2011)

De docenten die vanaf 1998 gerecruteerd werden tot eerstegraadsdocenten informatica, waren van allerlei pluimage. Bijna 55% had een of meer bevoegdheden in vakken die als bètavakken aangeduid kunnen worden, 14% in de talen en 31% in zaakvakken. Het contingent informaticadocenten, zo tegen 2004 allemaal geschoold en werkzaam als bevoegd docent informatica in het VO, vormde en vormt dus een bont geheel. Het is logisch dat het eerste vak of de eerste vakken waarin een docent opgeleid en gevormd is, zijn of haar visie op het nieuwe vak behoorlijk kleurt. Een talendocent die informatica, waaraan vooral de universiteiten de eis stelden dat je er een exacte vooropleiding voor gehad moest hebben, aan leerlingen moest “verkopen”, zal niet elke les met programmeren of netwerkprotocollen bezig geweest zijn. In de loop van de jaren kon je waarnemen dat de lessen van de docenten uit de alfa- en gammahoek vooral met de meer sociaal en creatief gerichte aspecten van informatica te maken hadden. Natuurlijk werd er van uitgegaan dat logisch en gestructureerd denken voor een docent informatica, ongeacht zijn vooropleiding, in ieder geval noodzakelijk zijn, maar een instaptoets in die richting hoefde niet gemaakt worden. Persoonlijk vind ik dit een gemis, omdat de diversiteit van het informatica-docentencorps door die nogal uiteenlopende opleidingskleuren, erg groot geworden is. Op zich hoeft diversiteit niet kwalijk te zijn, zeker niet voor een kleurrijk vak als informatica, zou ze zelfs heel gunstig kunnen werken, maar je zou kunnen spreken van teveel afzonderlijke zuiltjes waardoor een fundamentele, gemeenschappelijke aanpak wat zoek is.

Toen het vak informatica in de jaren ’90 verder tot ontwikkeling kwam en de sterke en zwakke punten zichtbaar werden, was duidelijk dat de docent informatica in het VO een sterke behoefte had en heeft aan bijscholing. Niet de bijscholing die uit het bezoeken van een conferentie bestaat, maar degelijke, op herhaling gebaseerde bijscholing was noodzakelijk. Vaak is de docent informatica de enige in zijn sectie op een school. Hij kan dus niet even gauw overleggen met een collega over stof, toetsing, didactische aanpak e.d. Dat maakt bijeenkomsten van informaticadocenten des te belangrijker en dringender. De laatste tijd wordt daar regionaal meer aandacht aan geschonken, zij het met stofaanbod dat het bestaande nog eens opfrist, zij het met uitleg over en scholing in recente ontwikkelingen van informatica.

deel 3