© René Franquinet (2012-2016)    Ontworpen in Serif WebPlus     info@questionit.nl


Question it
Question it

Digitale Intelligentie  - Flop


(nov. 2012)

In mijn vorige ICTeaser (DQ Top) heb ik het gehad over goed en gewenst ict-gebruik, onder andere in het onderwijs. Details waren overbodig, want er zijn best wel excellente voorbeelden vinden van scholen, groepen of individuen die weten hoe ze ict moeten inzetten. Het is dan ook niet zo prettig negatieve aspecten aan te halen, want je zou ze eigenlijk niet willen zien. Toch moet het even.

Ik noem er drie: excessieve ict-kosten die tot weinig verbetering leiden, het middel verheffen tot doel, ict als voorwaarde stellen voor goed onderwijs.


Excessieve kosten: vaak wordt aan ict-beheer overgelaten te kiezen voor een systeem dat de school kan bedienen, zowel organisatorisch (administratie e.d.) als vakinhoudelijk. Hierbij worden niet altijd de onderwijskundige grondslagen van de school als richtlijn gebruikt. Dat levert vroeg of laat altijd conflicten op. U moet hierbij even weten dat het ict-budget 5 tot 10% van het totale schoolbudget kan bedragen.


Middel wordt doel: er was eens een docent die zo enthousiast was over het gebruik van de computer, dat hij het bij alle gelegenheden aanprees als Haarlemmerolie voor onderwijskundige problemen. Soms lukte het ook te laten zien dat er bepaalde kwalen mee genezen konden worden (bijv. het eeuwige zinloze klassikale repeteren van Duitse naamvallen), maar voor wat gecompliceerdere onderwijsknelpunten kan de pc alleen niet veel betekenen. Mens en computer zullen hier nauw moeten samenwerken.


Ict als sine qua non: ik zou niet graag de goeroes de kost willen geven die zich onderwijs zonder ict niet kunnen voorstellen. Ook zou ik niet de docenten die het zonder ict kunnen, de kost willen geven. Maar om een of andere reden gaat mijn bedeling dan liever uit naar de laatsten. Niet alleen omdat hier nog veel goodwill is te winnen, maar ook omdat er nog steeds geen goede mix is gevonden tussen ict, leerstof, leerling en docent. Wie doet wat in welke vorm en in welke verhouding?